Naast mijn hut in Islanders Paradise, het resort op het Filipijnse eiland Siquijor waar ik vijf weken verblijf, zijn vanaf de tweede week mijn buren Peter en Loe. Hij is midden vijftig, Zwitser en zij is Filipina, eind veertig. Peter en Loe blijven tot ver na mij in dit resort en zijn daarmee dus mijn vaste buren geworden. Daar ben ik erg blij mee. Rustige en gezellige mensen zijn het. Na wat heen en weer gewuif en een eerste praatje volgde al snel een lange gesprek met hem en voor ik het wist zat ik 's avonds aan hun tafel om de verse vangst van die dag mee te komen opeten. Zij kook heerlijk. Peter heeft het voor elkaar gekregen dat Nani, de 'Mater Familias' van de familie die dit resort runt, de volgende dag voor ons Zwitserse rösti maakt. Peter en Loe kennen Nani namelijk van vorige bezoeken. Maar het is ook gewoon logisch; Peter krijgt alles voor elkaar.
Hij is een wat bleke man, met een voor zijn leeftijd bescheiden buikje en met een gezicht als uit een Buster Keaton slapstick of een Disney-cartoon. Het is dun, met een kort kapsel dat extra haar overlaat bovenop, waardoor het dunne iets geaccentueerd wordt en het heeft een Duits aandoend snorretje, netjes bijgewerkt met een beetje ruimte tussen de snor en de bovenlip. Dat geeft eerder iets komisch dan militaristisch. In dit dunne gezicht steken twee vrolijke ogen achter een bril. Peter is de hele dag 'Froh'; 's ochtends, wanneer hij uit zijn hut komt, zich uitrekt, zijn vrolijke gezicht mijn richting uitdraait en steevast 'Hallo, gute Morgen Ingmar' roept, 's middags, als hij alleen zit te lezen in magazines en af en toe heen en weer wiebelend in zichzelf praat en 's avonds, als hij een zoveelste heerlijke maaltijd voorgeschoteld krijgt en zijn Loe verliefd aankijkt. Hij is blij met het leven, de Filipijnen en het heerlijke vooruitzicht van zee, strand en zijn vrouw. Hij praat de hele dag tegen haar, daar op die varanda. En zij babbelt vrolijk terug. Hij noemt haar 'liebe Loe' en zij hem 'Pappsie'.
Peter zit niet zo maar hier met zijn midden vijftig een paar maanden in de Filipijnen. Peter is afgekeurd. Hij heeft een half jaar geleden te horen gehad dat hij vanwege zijn ogen, die al jaren langzaam achteruitgaan, niet langer kan werken. Hij was verkoper van gezonde producten in de buurt van Bern en moest ophouden. En dat voor zo'n bezig mannetje. Hij rende van hot naar her, deed aan karate, motorrijden en nog veel meer. Hij en Loe hebben het niet breed en gaan nu hun huurhuis in Zwitserland, waar ze officieel al uit zijn, verruilen voor een huurhuis hier op het eiland om zich permanent te vestigen. Er moet veel worden gedobbeld met geld. Twintig jaar getrouwd, geen kinderen staan zo samen hun mannetje in deze totaal veranderde situatie. Toen het bericht van Peters afkeuring kwam was deze er naar eigen zeggen nog niet onder te krijgen. Hij vat het zo samen: 'Vanwege deze oogafwijking zit ik wel mooi met mijn witte kont in het zand van de Filipijnen. Das Leben ist schön, nah? Je moet elke dag nemen wat het geeft. Vanavond frische Fisch, mein freund! Das hat Meine Loe doch ganz net geschaft, nah?!'
Mocht je met Peter willen praten, bijvoorbeeld om te horen hoe 'unglaublich' mooi ook deze dag weer is, dan vang je de helft van de dag bot, want Peter heeft een leuk excessief trekje. Elke dag, minstens drie keer, loopt Peter het water in. Dan zie ik die wat sloom naar voren zwengelende benen, dat zwarte t-shirt en die zwarte zwembroek, een grote zonnebril en een opvallende kaki-kleurige pet met grote lange flappen langs de oren, die vrolijk opveren als hij op weg is naar een verder gelegen gedeelte van de zee, alwaar hij, ik overdrijf niet, minstens de helft van de dag in het water dobbert. Uren lang. Elke dag.
Ik zie hem daar helemaal alleen, ver in de zee, met zijn leuke kopje boven het water - ik verdenk mijzelf ervan soms stiekem te checken of ik hem nog zie. En als ik hem dan zo zie liggen in dat water denk ik onwillekeurig bij mijzelf: waar denk je eigenlijk aan, Peter?